Kunsthistorisch of cultuurwetenschappelijk?
by paulavanstrien
Er zijn wezenlijke verschillen tussen de manier waarop kunsthistorici en cultuurwetenschappers onderzoek doen naar de betekenis van objecten.



Kunsthistorici zijn over het algemeen vooral geïnteresseerd in de intentie van de maker. Die wordt gereconstrueerd door het werk zelf te analyseren, het te vergelijken met andere werken en gebruik te maken van eigentijdse bronnen.
Cultuurwetenschappers kunnen deze methode ook toepassen, maar stellen dat betekenissen daarnaast voort kunnen komen uit sociale of economische structuren in de samenleving, zoals genderverschillen. Om die structuren zichtbaar te maken wordt vaak gebruik gemaakt van theorieën die buiten de cultuurwetenschappen zijn ontwikkeld, bijvoorbeeld in de sociologie, economie, antropologie of filosofie. Vervolgens wordt aan de hand van relevante bronnen bekeken of die theorieën aan bepaalde objecten gekoppeld kunnen worden.



De meeste cultuurwetenschappers zien beide benaderingen als legitiem, maar sommige kunsthistorici beschouwen enkel de kunsthistorische methode als wetenschappelijk. Zij stellen bijvoorbeeld dat het vaak niet mogelijk is om te bewijzen dat de maker bewust bepaalde zeer algemene principes in gedachte heeft gehad bij het maken van een specifieke werk. Cultuurwetenschappers brengen daartegenin dat sommige structuren in een bepaalde periode zo fundamenteel waren dat het bijna niet anders kan dan dat ze ook aan dat werk ten grondslag liggen- zelfs als de maker deze structuren niet bewust ‘in het werk gestopt heeft’.
Sieraadexpert Marjan Unger heeft aangetoond dat een te sterke focus op de kunsthistorische benadering kan leiden tot een tunnelvisie: door andere benaderingen buiten beschouwing te laten zijn bepaalde betekenissen van het twintigste-eeuwse Nederlandse sieraad in haar ogen onderbelicht gebleven. Toch blijkt het lastig te zijn om dit te veranderen: om serieus genomen te worden binnen het debat omtrent het sieraad- dat gedomineerd wordt door kunsthistorici- is het noodzakelijk om de kunsthistorische regels te respecteren. Dat is een beperking die het lastig maakt om tot nieuwe inzichten te komen.




Theorieën die buiten de kunst- en cultuurwetenschappen zijn ontwikkeld zouden gebruikt moeten kunnen worden om tot nieuwe inzichten te komen over de mogelijke betekenis van een object. Natuurlijk moet grondig onderzocht worden of die theorieën wel echt van toepassing zijn op specifieke objecten, maar daarbij hoeft de intentie van de maker niet centraal te staan. Kijkers of gebruikers uit het verleden of heden kunnen immers ook betekenissen aan objecten toekennen. Ik pleit dus voor een meer cultuurwetenschappelijke benadering. Het overtuigend uitvoeren van dergelijk onderzoek op een manier die ook acceptabel is voor kunsthistorici is een flinke uitdaging die ik graag aanga in het belang van het onderzoek naar vormgeving in het algemeen en het twintigste-eeuwse Nederlandse sieraad in het bijzonder.
Marjan Unger’s betoog is na te lezen in haar dissertatie Sieraad in Context (2010).
Voor meer voorbeelden waarin disciplines buiten de kunstgeschiedenis tot nieuwe inzichten hebben geleid, lees mijn artikel “Omstreden filosofische benaderingen in kunsthistorisch onderzoek.” Splijtstof, 38.2, 2009: 139-44
[manual_related_posts]